Diagnose van slokdarmkanker

Indien je symptomen ervaart die op slokdarmkanker kunnen wijzen, stuurt de huisarts je door naar een maag-darm-leverarts (MDL-arts) of internist in het ziekenhuis voor aanvullend onderzoek.

Endoscopie

In het onderzoek krijg je een endoscopie. Dit is een kijkonderzoek met een flexibele slang met een lampje en een camera (endoscoop). Als er gekeken wordt naar de slokdarm, maag en het eerste deel van de dunne darm (twaalfvingerige darm) wordt dit kijkonderzoek een gastroscopie genoemd.

Gastroscopie

Bij een gastroscopie wordt de binnenkant van de slokdarm bekeken met een endoscoop. Dit is een dunne, flexibele slang die via de mond in de slokdarm wordt geschoven. Het lampje en de camera aan het uiteinde van de slang zorgen ervoor dat de arts de slokdarm goed kan bekijken. Tijdens het kijkonderzoek neemt de arts een stukje weefsel weg uit de slokdarm. Dit heet een biopsie. Hier voel je niets van. Het weggenomen stukje weefsel wordt onder de microscoop bekeken. Als er kwaadaardige cellen in zitten, is er sprake van slokdarmkanker.

Aanvullende onderzoeken bij slokdarmkanker

Als de diagnose slokdarmkanker is gesteld, worden er aanvullende onderzoeken gedaan om te bekijken hoe ver de tumor zich in de slokdarm heeft uitgebreid. Ook onderzoekt de arts of de tumor is uitgezaaid naar andere organen, zoals de lymfeklieren, de longen of de lever. Deze factoren bepalen het stadium van de slokdarmkanker. Dit is belangrijk omdat het stadium van de ziekte bepaalt welke behandeling u kunt krijgen. Er zijn verschillende aanvullende onderzoeken mogelijk. Uw arts bepaalt welke onderzoeken bij u nodig zijn om het stadium van de slokdarmkanker te kunnen bepalen.

Echo(grafie) hals

Een echo van het halsgebied kan eventuele uitzaaiingen naar de lymfeklieren in de hals in kaart brengen.
Bij een echo worden afbeeldingen gemaakt met behulp van geluidsgolven. Via een echoapparaat dat de arts over je hals beweegt, wordt een beeld gevormd van verschillende soorten weefsels. Een echo is een eenvoudig en pijnloos onderzoek.

Echogeleide punctie

Met een punctie kan de arts weefsel wegnemen, bijvoorbeeld om te bepalen of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren in de hals of in de lever. Bij een punctie prikt de arts met een speciale naald van buitenaf door de huid in het afwijkende weefsel en haalt er een stukje uit (biopt). Het afwijkende weefsel wordt vervolgens onderzocht onder de microscoop. Bij een echogeleide punctie wordt eerst met behulp van een echo de exacte plaats van de afwijking bepaald. Een punctie kan heel even heel pijnlijk zijn.

PET-scan

Om uitzaaiingen in het lichaam aan te tonen wordt meestal een PET-scan (Positron Emissie Tomografie) uitgevoerd. Kankercellen hebben een verhoogde stofwisseling. Dat betekent dat kankercellen meer suiker gebruiken dan normale cellen. Voorafgaand aan een PET-scan wordt daarom een kleine hoeveelheid radioactief suiker in uw bloed gespoten. De plaatsen waar kankercellen zich bevinden, kunnen zo worden opgespoord. Meestal wordt een PET-scan gecombineerd met een CT-scan.

CT-scan (Computer Tomografie) of MRI

Met een CT-scan (of heel soms een MRI-scan) kan ook bepaald worden of de slokdarmtumor in andere organen is doorgegroeid of is uitgezaaid. Bijvoorbeeld in de lever, longen, lymfeklieren, botten of bijnieren. Een CT-scan is een onderzoek met röntgenstralen. Bij een MRI-scan wordt gebruik gemaakt van een sterk magnetisch veld. Tijdens het onderzoek word je heel langzaam door een kokervormige scanner bewogen. De scanner maakt een hele serie gedetailleerde foto’s. Hierop zijn organen, bloedvaten, tumoren en eventuele uitzaaiingen goed te zien. Vaak krijg je van tevoren een contrastvloeistof ingespoten en meestal ook te drinken. Hierdoor worden de afbeeldingen duidelijker.

Bronchoscopie

Als gedacht wordt dat de tumor is doorgegroeid in de luchtwegen kun je een bronchoscopie krijgen. Bij een bronchoscopie wordt de binnenkant van de luchtwegen bekeken met een endoscoop. De endoscoop is een dunne, flexibele slang die via de mond tot in de luchtwegen wordt geschoven. Het lampje en de camera aan het uiteinde van de slang zorgen ervoor dat de arts de luchtwegen (bronchiën) goed kan bekijken. Tijdens een bronchoscopie kan de arts ook kleine stukjes weefsel weghalen (biopsie). Hier voel je vrijwel niets van. De weggenomen stukjes weefsel worden onder de microscoop onderzocht. Om te zorgen dat je weinig last hebt van de bronchoscopie, krijg je meestal een ‘roesje’.

Carolina

”Door de diagnose slokdarmkanker ben ik me er extra van bewust dat je moet genieten en geen dingen uit moet stellen.”

Rob

”Het overwinnen van slokdarmkanker is net zoiets als de Mount Everest beklimmen, en weer terug. Je krijgt vanzelf de houding: ik moet dit voor elkaar krijgen. ”

Robert

”Ik merkte voor het eerst dat het niet goed ging toen ze vertelde dat haar eten niet meer weg wilde. Ze wist niet was het was, maar het voelde niet goed.”

Leo

”Het gaat er vooral om hoe je met de ziekte omgaat. Door slokdarmkanker kun je afzakken in een diepe put, maar blijf geloven in een goede afloop.”

Behandeling van slokdarmkanker

De behandeling van slokdarmkanker is afhankelijk van het stadium van de kanker. Daarnaast spelen ook persoonlijke factoren een rol. Hoe goed is je lichamelijke conditie? Hoe groot is de slokdarmtumor en zijn er uitzaaiingen? En natuurlijk wat wil je zelf?

Zo mogelijk krijg je een curatieve behandeling, dit is een behandeling gericht op genezing. Het doel van deze behandeling is het verwijderen van de tumor in de slokdarm. Meestal bestaat de behandeling uit chemoradiatie (een combinatie van bestraling en chemotherapie) en daarna een operatie. Soms bestaat een curatieve behandeling ook uit alleen bestraling en chemotherapie. Er wordt dan niet geopereerd. Dit hangt af van het stadium van de slokdarmkanker, de plaats van de tumor en van jouw conditie. Je arts bespreekt met je welke behandeling in jouw situatie de beste resultaten zal geven.

Een curatieve behandeling is alleen mogelijk als de slokdarmkanker in een vroeg stadium is vastgesteld. Bijna de helft van de mensen met slokdarmkanker komt in aanmerking voor een curatieve behandeling. Als de slokdarmkanker pas laat wordt ontdekt, zijn er minder behandelmogelijkheden. In een vergevorderd stadium is meestal alleen een palliatieve behandeling mogelijk. Dit is een behandeling met als doel de ziekte af te remmen en klachten te verminderen. Er zijn bij de behandeling van slokdarmkanker verschillende behandelingen mogelijk:

Endoscopische behandeling

Als de diagnose slokdarmkanker heel vroeg wordt gesteld, kun je soms endoscopisch behandeld worden. Het kwaadaardige weefsel wordt dan via de mond uit de slokdarm verwijderd. Een endoscopische behandeling is alleen mogelijk bij voorlopercellen van slokdarmkanker of bij zeer oppervlakkige tumoren.

Bij een endoscopische behandeling gaat de maag-darm-leverarts (MDL-arts) met een flexibele, holle slang (endoscoop) via de mond in de slokdarm. Op de top van de endoscoop zijn een lampje en een videocamera bevestigd. Door de endoscoop schuift de arts instrumenten op om de behandeling uit te voeren.

Groot voordeel van een endoscopische behandeling is dat jouw slokdarm behouden blijft. Een endoscopische behandeling is veel minder ingrijpend dan een operatie en kan meestal poliklinisch worden uitgevoerd. Er is geen uitwendige operatiewond, doordat de ingreep via de mond gaat.

Toch kunnen ook bij een endoscopische behandeling complicaties ontstaan. Je arts zal deze van tevoren met je bespreken. Na een endoscopische behandeling blijf je onder controle bij de MDL-arts.

Er bestaan verschillende endoscopische behandelingen bij slokdarmkanker:

Endoscopische mucosale resectie (EMR)

Bij deze behandeling worden de oppervlakkige lagen van de slokdarmwand, met het aangedane weefsel, verwijderd. Een endoscopische resectie kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Jouw arts kan je hierover meer vertellen. Bij EMR is er een kleine kans op het ontstaan van een gaatje in de slokdarmwand (slokdarmperforatie).
Het weefsel dat de arts met EMR weghaalt, wordt onder een microscoop onderzocht. Dan kan pas met zekerheid vastgesteld worden of de tumor inderdaad oppervlakkig is. Wanneer blijkt dat de tumor toch dieper gegroeid is, moet alsnog geopereerd worden. Er wordt ook geopereerd als na onderzoek blijkt dat de tumor kwaadaardige kenmerken heeft die de kans op uitzaaiingen in de lymfeklieren vergroten.

Ablatie therapie

Ablatie therapie is een endoscopische behandeling waarmee afwijkend en onrustig weefsel in de slokdarm weggebrand wordt. Ablatie betekent wegbranden. Er zijn verschillende soorten ablatie therapie:

Radiofrequente mucosale resectie (RFA)

Bij deze behandeling wordt gebruik gemaakt van hittestralen om het afwijkende weefsel in de slokdarm te vernietigen. Na RFA wordt een lange tijd een hoge dosis maagzuurremmers gegeven. Hierdoor ontstaat er weer gezond slokdarmweefsel op de plaats waar het afwijkende weefsel zat.

Argon plasma coagulatie

Bij deze behandeling wordt een dun kunststof slangetje (katheter) via de mond in de slokdarm gebracht. Via dit slangetje stroomt argongas dat een elektrische stroom naar het afwijkende weefsel geleidt. Dit is te vergelijken met een ‘minivlammenwerper’ die de oppervlakkige lagen van de slokdarm wegbrandt.

Operatie waarbij de slokdarmtumor wordt verwijderd

Een operatie is de standaardbehandeling als een endoscopische behandeling niet mogelijk is en er geen uitzaaiingen zijn. De chirurg verwijdert tijdens de operatie de tumor en het omliggende weefsel met lymfeklieren. Voorafgaand aan de operatie krijgt u chemoradiatie, een combinatie van bestraling en chemotherapie. Dit vergoot de kans om de tumor volledig en blijvend weg te kunnen halen.
De operatie kan via de borstkas, de buik en de hals worden uitgevoerd. Dit hangt af van eventuele klieren die zich in de borstholte bevinden en van de hoogte van de tumor in de slokdarm. Uw arts informeert u over de verschillende operatietechnieken en welke bij u het beste resultaat zal geven.

Een slokdarmoperatie is een ingrijpende operatie. Een voorwaarde voor een slokdarmoperatie is dat u in een goede conditie bent. Als u voorafgaand aan de operatie niet goed kunt eten of als u teveel bent afgevallen, krijgt u via uw arts of diëtist dieetvoeding, drinkvoeding en zo nodig sondevoeding voorgeschreven.

Kijkoperatie

Steeds vaker wordt een slokdarmtumor verwijderd met een kijkoperatie. De chirurg opereert dan via een paar kleine sneetjes in de buik en borstkas. Een thoracoscopie is een kijkoperatie via de borstkas. Een laparoscopie is een kijkoperatie via de buik. Het voordeel van een kijkoperatie is dat de wonden veel kleiner zijn. Ook treden er meestal minder complicaties op. U herstelt hierdoor sneller. Uw arts bespreekt met u of een kijkoperatie in uw situatie mogelijk is.

Buismaag-operatie

Een buismaag-operatie is de operatie die het meest wordt uitgevoerd bij slokdarmkanker. In de meeste gevallen gaat het daarbij om een tumor onderin de slokdarm. De chirurg verwijdert de tumor en het omliggende weefsel. Vaak moet ook het bovenste deel van de maag verwijderd worden. De chirurg maakt van de maag een soort buis (buismaag). De buismaag wordt naar boven geplaatst in de borstholte en aan het overgebleven deel van de slokdarm vastgemaakt.
Lees hier meer over leven met een buismaag.

Na de operatie

Na een slokdarmoperatie ga je, via de Intensive Care of de uitslaapkamer, naar de verpleegafdeling om te herstellen. De eerste tijd na de operatie mag je nog niet normaal eten. De littekens die zijn ontstaan moeten eerst goed genezen. Je krijgt voeding daarom op een andere manier:

  • Meestal krijg je na de operatie sondevoeding. Dat kan op verschillende manieren. Via een dun slangetje dat via je neus in de dunne darm wordt gebracht. Of via een voedingsstoma. Als je een voedingsstoma krijgt, maakt de chirurg via jouw buikwand een opening naar de dunne darm. Voeding komt op die manier direct in je dunne darm terecht.
  • In enkele gevallen is sondevoeding niet (meteen) mogelijk. In dat geval wordt de voeding direct in je bloed gebracht via een infuus. Dit wordt parenterale voeding genoemd.

Na een slokdarmoperatie kun je verschillende klachten hebben. Bijvoorbeeld passageklachten, slikklachten of terugstromend maagzuur of gal. Welke klachten ontstaan, verschilt per persoon en is ook afhankelijk van de operatietechniek. Veel klachten verminderen na verloop van tijd, omdat je lichaam zich aanpast aan de nieuwe situatie. Sommige klachten zijn echter blijvend.

Chemoradiatie

Chemoradiatie of chemoradiotherapie is het tegelijk inzetten van twee behandelingen: chemotherapie en bestraling. Chemoradiatie wordt ingezet als:

Voorbehandeling voor een operatie (neoadjuvante chemoradiatie)
Als verwacht wordt dat de slokdarmtumor met een operatie te verwijderen is, word je voorafgaand aan de operatie standaard met chemoradiatie behandeld. Chemoradiatie vergoot de kans om tijdens de operatie de tumor volledig en blijvend weg te kunnen halen. Alleen als de tumor heel klein is en er geen uitzaaiingen zijn naar de lymfeklieren, wordt er van een voorbehandeling met chemoradiatie afgezien.

Genezende behandeling zonder operatie
Deze vorm van chemoradiatie duurt langer en is zwaarder dan chemoradiatie als voorbehandeling voor een operatie. Chemoradiatie zonder operatie vindt plaats als:

  • je lichamelijke conditie niet goed genoeg is om een operatie te ondergaan. Soms kun je dan later alsnog geopereerd worden.
  • de tumor helemaal bovenaan in je slokdarm zit. Voorheen werd dan geopereerd, waarbij ook het strottenhoofd weggehaald werd. Dit gaf veel klachten na de operatie, zoals niet meer kunnen praten. Daarom worden hele hoge tumoren nu behandeld met chemoradiatie zonder operatie.

Bestraling (radiotherapie)

Bestraling of radiotherapie is het bestralen van kankercellen met radioactieve stoffen. De kankercellen worden hierdoor ernstig beschadigd en sterven af. Bestraling wordt (samen met chemotherapie) bijna altijd als voorbehandeling gegeven voor een operatie om de slokdarmtumor te verwijderen. Bestraling kan door de huid heen (uitwendig) of van binnenuit via een slangetje in de slokdarm (inwendig). Ook een combinatie van inwendige en uitwendige bestraling is mogelijk.

Een arts die gespecialiseerd is in bestraling heet een radiotherapeut. De radiotherapeut stelt een behandelplan op, in overleg met jouw behandelend arts.

Uitwendige bestraling
De tumor wordt van buitenaf bestraald. De straling gaat dan door de huid heen naar de tumor. Uitwendige bestraling duurt een paar minuten per behandeling. De behandeling vindt meestal vier of vijf keer per week plaats en je hoeft hiervoor niet in het ziekenhuis te worden opgenomen. Hoe lang de totale behandeling duurt, is afhankelijk van jouw persoonlijke situatie.

Inwendige bestraling
Inwendige bestraling wordt ook wel brachytherapie genoemd. De tumor wordt dan van binnenuit bestraald. Dat gebeurt via een klein slangetje, dat in de slokdarm wordt gebracht tot dichtbij de tumor. Dit gebeurt meestal eenmalig, in een hoge dosis. Het voordeel van inwendige bestraling is dat er zo min mogelijk gezond weefsel beschadigd wordt. De bestraling duurt enkele minuten tot ongeveer een uur. De behandeling vindt plaats onder een lichte narcose of plaatselijke verdoving. Heel soms is een korte ziekenhuisopname nodig.

Bijwerkingen van bestraling
De radiotherapeut zorgt ervoor dat de straling zo precies mogelijk op de tumor wordt gericht. Toch kunnen ook de gezonde cellen in de buurt van de tumor beschadigd raken door de straling. Hierdoor kun je last krijgen van bijwerkingen. Gelukkig zijn de bijwerkingen meestal tijdelijk. Dit komt doordat gezonde cellen beter herstellen van de behandeling dan kankercellen.
Bijwerking die kunnen ontstaan na bestraling van de slokdarm zijn vermoeidheid, misselijkheid, een zere keel en een pijnlijke slokdarm. Ook kunnen eventuele passageklachten tijdelijk verergeren, door irritatie van het slijmvlies in uw slokdarm. Passageklachten ontstaan als het eten niet goed kan zakken in de slokdarm doordat deze te nauw geworden is.

Chemotherapie

Chemotherapie is een behandeling met kankerremmende medicijnen. Deze medicijnen worden ook wel cytostatica genoemd. Chemotherapie wordt (samen met bestraling) bijna altijd als voorbehandeling gegeven voor een operatie om de slokdarmtumor te verwijderen. Chemotherapie remt de celdeling.

Doelgerichte behandeling

Een behandeling met doelgerichte medicijnen wordt ook wel ‘targeted therapy’ of een doelgerichte behandeling genoemd. Een doelgerichte behandeling wordt bijna altijd in combinatie met chemotherapie gegeven. Doelgerichte medicijnen werken alleen bij tumorcellen met een bepaald type eiwit.

Een stent of endoprothese

Als slokdarmkanker niet geopereerd kan worden, kun je door de groeiende tumor steeds meer last krijgen van passageklachten. Eten kan dan niet goed meer zakken in de slokdarm. Er kan dan een stent (buisje) in uw slokdarm geplaatst worden. De arts gaat dan met een endoscoop (een flexibele holle buis) via je mond in je slokdarm. Op de hoogte van de tumor wordt de ‘ingeklapte’ stent losgelaten.

Kankercellen zijn gevoelig voor deze medicijnen, omdat kankercelen sneller delen dan gezonde cellen. De medicijnen krijg je meestal via een infuus toegediend. Chemotherapie werkt tegen kankercellen in het hele lichaam. Het is dus niet alleen een behandeling tegen de tumor in de slokdarm, maar ook tegen mogelijke uitzaaiingen.

Ze richten zich specifiek op dit type eiwit en zorgen er zo voor dat de groei van de tumorcel wordt geremd. Een doelgerichte behandeling wordt bijvoorbeeld ingezet als de tumor dicht bij de overgang van de slokdarm naar de maag zit en als er uitzaaiingen zijn.

Daar ontplooit de stent zich en zet zich vast in de slokdarmwand. Zo wordt de vernauwde slokdarm opgerekt. Het voedsel kan dan weer beter passeren, waardoor eten makkelijker wordt. Een stent wordt geplaatst onder een ‘roesje’. Daardoor merk je er nauwelijks iets van. Een andere naam voor een stent is een endoprothese.

Stadia van slokdarmkanker

Slokdarmkanker ontstaat in de slijmvlieslaag van de slokdarm. Hoe verder de tumor door de slokdarmwand heen is gegroeid, hoe verder de ziekte is gevorderd en hoe hoger het stadium.

Om de verschillende stadia van slokdarmkanker te begrijpen, is het nodig kort stil te staan bij de bouw van de slokdarm. De wand van de slokdarm is van binnen naar buiten opgebouwd uit:

  1. Een slijmvlieslaag; deze bekleedt de binnenkant van de slokdarm
  2. Een bindweefsellaag; hierin zitten kliertjes die slijm produceren, waardoor het voedsel makkelijk door de slokdarm glijdt
  3. Een spierlaag; de spieren in de slokdarmwand verplaatsen voedsel met samentrekkende (peristaltische) bewegingen naar de maag

Het bepalen van een stadium

Om het stadium van de slokdarmkanker te bepalen, wordt onderzocht hoe diep de tumor is doorgegroeid en of de tumor is uitgezaaid. Er zijn verschillende manieren om het stadium van slokdarmkanker aan te geven. Over het algemeen worden in patiëntenvoorlichting de stadia hiernaast gebruikt. Stadium 0 is het vroegste stadium en stadium IV is het meest gevorderd en dus het meest ernstig.

Het is belangrijk om te weten dat het volledige stadium van slokdarmkanker uit drie onderdelen is opgebouwd. Deze onderdelen zijn de tumor (T), de lymfeklieren (N) en de uitzaaiingen op afstand (M). Samen vormen zij het zogenaamde TNM-stadium. Elke afzonderlijk onderdeel heeft een getalswaarde. De T kan variëren tussen 1 en 4, de N tussen 0 en 3, en de M kan 0 of 1 zijn. De combinatie van al deze waardes bepaalt uiteindelijk of welk stadium 0, I, IIA, IIB, III of IV slokdarmkanker je hebt.

Hoe ontstaat een uitzaaiing?

Een uitzaaiing ontstaat doordat kankercellen losraken van de oorspronkelijke tumor. Deze losse klompjes kankercellen kunnen in een van de bloedvaten, lymfevaten of lymfeklieren terecht komen die rond de slokdarm aanwezig zijn. Als de tumor door de slokdarmwand gegroeid is tot in de buik of borstholte, dan kunnen tumorcellen loslaten en zich in de buik of borstholte verspreiden. Hoe dieper de tumor door de slokdarmwand heen groeit, hoe groter de kans is dat er kankercellen losraken en zich verspreiden door het lichaam. Als zo’n losgeraakte kankercel of klompje kankercellen elders in het lichaam gaat ‘nestelen’ ontstaat een uitzaaiing, ook wel een metastase genoemd.
Losgeraakte cellen van een slokdarmtumor nestelen zich vooral in de nabij gelegen (lokale) lymfeklieren, de lever en de longen. Ook kunnen er al vroeg uitzaaiingen ontstaan in andere organen, zoals hersenen, nieren, botten of de huid. Soms komt het voor dat er tumorcellen in de buikholte terecht komen en zich aan het buikvlies hechten.

Stadia slokdarmkanker

Er zijn 6 stadia van slokdarmkanker:

  • Stadium 0
    • Tumor is beperkt tot de slijmvlieslaag van de slokdarm.

  • Stadium I
    • Tumor is beperkt tot de binnenste laag van de slokdarm.

  • Stadium IIA
    • Tumor is tot in de spierlaag (buitenste laag) van de slokdarm gegroeid, maar er zijn geen uitzaaiingen.

  • Stadium IIB
    • Tumor is nog niet door de slokdarmwand gegroeid, maar er zijn wel uitzaaiingen in de lokale lymfeklieren.

  • Stadium III
    • Tumor is tot in de buitenste laag van de slokdarmwand gegroeid en er zijn uitzaaiingen in de lokale lymfeklieren. Tumor is door de slokdarmwand en in omliggende weefsels gegroeid.

  • Stadium IV
    • Tumor is uitgezaaid naar lymfeklieren elders in het lichaam of naar andere organen (bijvoorbeeld longen of lever).

Behandeling per stadium van slokdarmkanker

Aan de hand van het stadium van de slokdarmkanker bepaalt de arts samen met jou welke behandeling mogelijk is. Soms is voor de operatie niet duidelijk of en hoe ver de tumor door de wand van de slokdarm is gegroeid. Ook is het vaak onduidelijk of er uitzaaiingen zijn naar lymfeklieren in de buurt van de tumor. Na de operatie kan het stadium van de slokdarmkanker definitief vastgesteld worden.

Zeer vroeg stadium 0 en I – endoscopische behandeling mogelijk

Als je slokdarmkanker heb in een zeer vroeg stadium dan is vaak een endoscopische behandeling mogelijk. De arts gaat dan met een endoscoop (een flexibele holle buis) via uw mond in uw slokdarm. Door de endoscoop kan de arts instrumenten opschuiven. Met die instrumenten wordt het kwaadaardige weefsel in de slokdarm weggehaald. Deze behandeling kan alleen uitgevoerd worden als de slokdarmkanker beperkt is tot de slijmvlieslaag van de slokdarm. Deze behandeling kan ook uitgevoerd worden bij voorlopercellen van slokdarmkanker of bij een Barrett slokdarm.

Vroeg stadium II en III – genezend te behandelen

Bij slokdarmkanker in een vroeg stadium zijn er geen uitzaaiingen en is een operatie de standaardbehandeling. Voorafgaand aan de operatie krijgt u een behandeling met chemoradiatie, een combinatie van chemotherapie en bestraling. Dit vergoot de kans om de tumor volledig en blijvend weg te kunnen halen.

Soms wordt pas tijdens de operatie duidelijk hoe ver de tumor precies is doorgegroeid in de slokdarm en of er uitzaaiingen zijn. Als tijdens de operatie blijkt dat de tumor niet in zijn geheel te verwijderen is, kan besloten worden om niet verder te opereren.

Er zijn verschillende operaties mogelijk bij slokdarmkanker. Welke operatie je krijgt is afhankelijk van de precieze plaats van de tumor in de slokdarm.

Gevorderd stadium IV – niet meer genezend te behandelen

Bij slokdarmkanker in een gevorderd stadium is genezing vaak niet meer mogelijk. Dit is het geval als er uitzaaiingen zijn gevonden. Of als de tumor te ver in omliggende weefsels of organen is gegroeid. De behandeling die je dan krijgt is gericht op het afremmen van de ziekte en het verminderen van klachten. Dit heet een palliatieve behandeling.

Lees hier meer over de palliatieve behandeling van slokdarmkanker in een gevorderd stadium.

Vooruitzichten bij slokdarmkanker

De vooruitzichten, ofwel de prognose, is afhankelijk van het stadium van de slokdarmkanker. Hoe eerder de ziekte wordt ontdekt, des te beter de vooruitzichten. Van de kleine groep mensen met slokdarmkanker in een zeer vroeg stadium, waarbij endoscopische behandeling mogelijk is, overlijdt bijna niemand aan de ziekte. De vooruitzichten van mensen met uitgezaaide slokdarmkanker zijn veel slechter.

Bij slokdarmkanker wordt bij het inschatten van de vooruitzichten vaak onderscheid gemaakt tussen twee groepen:

  1. Mensen die een operatie ondergaan die gericht is op genezing (curatieve behandeling)
  2. Mensen die niet meer geopereerd kunnen worden en die een behandeling krijgen om de ziekte af te remmen en klachten te verminderen (palliatieve behandeling)

Van de eerste groep is 50% van de mensen na vijf jaar nog in leven. Mensen bij wie de slokdarmkanker niet is uitgezaaid naar de nabij gelegen lymfeklieren hebben in deze groep de hoogste overlevingskans. Bij de tweede groep is dit percentage veel lager. De vijfjaarsoverleving van alle mensen met slokdarmkanker samen is ongeveer 20%. De overlevingskans van slokdarmkanker is de afgelopen jaren wel verbeterd.

Behalve het stadium van de slokdarmkanker, zijn er ook nog andere factoren die van invloed zijn op de vooruitzichten. Voorbeelden hiervan zijn leeftijd, lichamelijke conditie en hoe je reageert op een behandeling. Jouw persoonlijke vooruitzichten kun je dan ook het beste met jouw behandelend arts bespreken. Ook voor een arts is het echter onmogelijk om met zekerheid te voorspellen hoe de slokdarmkanker zich bij je zal ontwikkelen.

Follow up

Na een behandeling van slokdarmkanker ontvang je nog een periode nazorg. Dit noemen we ook wel follow-up. Het doel van de nazorg bij slokdarmkanker is:

  • het in kaart brengen en behandelen van de gevolgen van de behandeling
  • het tijdig onderkennen van eventuele problemen, bijvoorbeeld met de verwerking van de diagnose en ingreep
  • het, zo nodig, bieden van psychosociale zorg
  • het beoordelen van klachten die het gevolg zouden kunnen zijn van terugkeer van de ziekte

Na vijf jaar is de kans op terugkeer van de slokdarmkanker zo klein geworden dat het niet zinvol meer is om er standaard onderzoek naar te doen. Uiteraard kun je met vragen of met klachten altijd terecht bij je arts.

Dit doen wij tegen slokdarmkanker

De Maag Lever Darm Stichting zet zich in om slokdarmkanker te voorkomen, te bestrijden en de gevolgen ervan voor patiënten te verminderen. Dit doen wij onder andere door middel van voorlichting en vroege opsporing.

Doneer voor vroegere opsporing van slokdarmkanker

Colofon

Deze informatie is geschreven door de Maag Lever Darm Stichting.

In samenwerking met:
Prof. Dr. Jacques Bergman, MDL-arts
Dr. Manon Spaander, MDL-arts
Dr. Mark van Berge Henegouwen, chirurg
Dr. Judith de Vos-Geelen, oncoloog
Mw. Loes Noteboom, verpleegkundig specialist
Dhr. André Sterk, verpleegkundig consulent
Mw. Marcella Martin, diëtist
Mw. Joyce Haver, diëtist

Laatst herzien:
Februari 2017

Doneer